1) Vakgemeenschap deelt ervaringen en dilemma´s

Lisette Vos - Corporaties moeten zich steeds beter verantwoorden voor de keuzes die ze maken, ook als het gaat om onderwijsprojecten in de wijk.  Door de crisis is er minder geld, maar de betrokkenheid van corporaties in de wijken is er niet minder om.  Door ervaringen en dilemma’s te delen,  leren corporaties van elkaar hoe zij om kunnen gaan met deze 'nieuwe realiteit´. 


Tijdens de eerste themabijeenkomst van de Vakgemeenschap sociale stijging in Rotterdam over onderwijs was Woonbron in Hoogvliet gastheer. Directeur Erwin Zwijnenburg lichtte het ambitieuze project Campus Hoogvliet toe. Ook vijf andere corporaties presenteerden op 26 april hun eigen project  en legden hun collega’s en het onderwijspanel hun dilemma’s voor: wat doen we nog wel in deze tijd en wat niet?


Projectleider Anthonie Mullié van Woonbron, die de deelnemers verwelkomde,  is zeer blij met de vakgemeenschap. ´Je ziet voorbeelden van collega´s in andere wijken. Het mooie is dat wij hier geen succesverhalen afdraaien, maar dat we met een kritische houding op onze eigen aanpak en op die van collega´s verder kunnen komen.´


Achter de komma

De aanpak van Woonbron is drastisch veranderd. Mullié: ‘Onze loyaliteit ligt bij het onderwijs.  We zijn in het verleden heel brutaal geweest en namen als het moest de leiding over van een project. Maakt niet uit hoe, wij zorgden dat het doorging. Dat is nu niet meer aan de orde. We moeten ons nu tot drie cijfers achter de komma verantwoorden.’


In de tijd dat corporaties alles deden, is Woonbron tegen grenzen aangelopen. Het meest bekende voorbeeld is het project met de boot SS Rotterdam, maar ook Campus Hoogvliet zou in deze tijd niet meer worden gebouwd.  Deze campus, een combinatie van onderwijs, wonen, werken en recreatie, komt er overigens wel.  ‘Het zou doodzonde zijn als de investeringen voor niets zijn geweest’, vertelt Mullié. 


Minder geld betekent niet minder betrokkenheid. Integendeel, stelt Mullié. ‘Wij moeten de goede contacten behouden met de scholen, de ouders en hun kinderen.  Als wij signalen oppikken in de wijk, treden wij waar het kan daadkrachtig op. Onze doelstellingen blijven overeind, al moeten wij wel creatiever zijn in de aanpak. Corporaties zijn sterk in het organiseren, en dat hoeft niet altijd veel te kosten. Met weinig geld kan je soms al het verschil maken.´


Slimme coalities

Lector Dynamiek in de stad Guido Walraven van InHolland, één van de leden van het onderwijspanel, was onder de indruk van de ‘open en eerlijke verhalen’.  ‘Corporaties hebben een harde les geleerd. De crisis dwingt iedereen om nog preciezer te formuleren wat je nog wel of niet meer doet. Dat werkt zuiverend.  Corporaties, maar ook andere partners als de onderwijsinstellingen, moeten op zoek naar slimme coalities.’


Walraven waardeert de betrokkenheid van de deelnemers van de vakgemeenschap.  ‘Zij willen extra stappen zetten en gaan op zoek naar de ruimte die er nog wel is, ondanks het feit dat er minder budget is.’ Ook de hogescholen blijven geloven in de aanpak van de wijken.  ‘Studenten die kinderen met een achterstand bijles geven, in ruil voor korting op de huur van een corporatiewoning, is een project dat behapbaar is. En het helpt de kinderen vooruit.’


Eric Spithoven, adviseur strategie en onderzoek van Portaal, lichtte tijdens de bijeenkomst een project voor werklozen toe. Hij wil vooral antwoord op de vraag welke stijgingsroute het meest effect heeft op de bewoners, maar ook op de hele buurt. ´Als we dat kunnen aantonen, hebben we een goed verhaal richting onze bestuurders en de critici.  Daarbij moeten we ook voorbeelden met elkaar delen waarin wij als corporatie of sector  hebben gefaald. Als we dat durven, komen we echt verder.´


‘Nieuw realisme’

Programmaregisseur Radboud Engbersen (SEV), een van de begeleiders van de vakgemeenschap, spreekt van ‘nieuw realisme’. ´De tijd dat corporaties alles doen is voorbij, maar het gaat ook te ver als corporaties nu niets meer durven. Zij moeten nu eerder naar hun eigen belang kijken:  wat is de relatie met wonen? Corporaties zullen meer kleinschalige projecten oppakken die behapbaar zijn en vaker slimme coalities met andere partijen sluiten.  Met een professionele aanpak, intelligente samenwerking én gezond verstand kunnen corporaties nog veel bereiken.’


Themabijeenkomst over werk: op 7 juni

De tweede themabijeenkomst van de Vakgemeenschap – op 7 juni in Deventer - gaat over werk. Doel van de vakgemeenschap is om de effectiviteit en professionaliteit van corporaties te versterken waar het gaat om bewoners in de wijken vooruit te helpen.


2)Crisis dwingt tot nieuwe koers in wijkaanpak

Lisette Vos - De aanpak van de stedelijke vernieuwing in aandachtswijken is door de crisis ingrijpend veranderd.  Veel minder ligt de nadruk op sloop en nieuwbouw. Corporaties zetten meer in op de mogelijkheden met de bestaande voorraad woningen, op renovatie en op beheer en leefbaarheid in de wijk. De nieuwe koers van een corporatie is mede afhankelijk van de lokale situatie op de woningmarkt.


Dat blijkt uit het onderzoek dat het bureau Stipo in opdracht van Platform Corpovenista heeft uitgevoerd. Om een goed beeld te krijgen van wat de omslag in de wijkaanpak precies behelst, hebben de onderzoekers diepte-interviews gehouden met professionals van elf woningcorporaties die actief zijn in aandachtswijken. De interviews gaan over 49 wijken waar de aanpak sinds 2008 een omslag heeft gekend.


Noodgedwongen op de schop

Volgens Perry Hoetjes, beleidsmedewerker strategie en beleid  van Stadgenoot en begeleider van het onderzoek, is in deze zogeheten´omslagwijken´ sprake van een flinke verschuiving.  De eerder gekozen strategie moet veelal noodgedwongen op de schop, omdat er fors minder ruimte is voor investeringen. ´De oorspronkelijke doelstelling om wijken naar een gemiddelde te trekken, is niet meer of moeilijk haalbaar. Moeten en kunnen we als corporaties nog wel streven naar gemengde wijken of is het ook goed als wijken als een soort springplank fungeren?’  De onderzoekers presenteren in hun onderzoeksrapport een waaier waarin verschillende alternatieve strategieën op een rij zijn gezet.


Welke nieuwe strategie wordt ingezet, is afhankelijk van de lokale situatie op de woningmarkt. Amsterdam bijvoorbeeld, met een gespannen woningmarkt, heeft nog steeds een aantrekkingskracht op mensen die er graag willen wonen. Daar zijn de oorspronkelijke doelstellingen van de wijkaanpak wellicht nog wel haalbaar, maar moeten de corporaties hun plannen in een lager tempo uitvoeren. In krimpgebieden, waar geen of minder vraag is naar (koop)woningen, moeten corporaties hun ambities eerder bijstellen. En er in ieder geval voor zorgen dat het beheer goed op orde is.  Ook projecten gericht op sociaaleconomische ontwikkeling van bewoners worden des te belangrijker.


Geen blauwdruk

Nu corporaties veel meer op hun geld moeten letten, dreigt de situatie te ontstaan dat de beperkte middelen vooral leidend zijn in de besluitvorming, zo waarschuwen de onderzoekers. Hoetjes erkent dat: ´De crisis viel rauw op ons dak en we moesten wel schrappen in de investeringen.  We hebben nu geen blauwdruk meer waar we over 15 jaar willen staan. We kijken nu veel meer naar wat nu nog wel kan.  Maar ook bij die nieuwe werkwijze die uitgaat van onzekerheid en kleinschalige ingrepen, moeten we blijven nadenken waar we met een wijk naar toe willen.´


De nieuwe aanpak heeft ook een voordeel, stelt Hoetjes.  ‘Corporaties en hun partners in de wijk zijn nu veel beter in staat om te schakelen en zich flexibel op te stellen. Tot voor kort waren alle afspraken over de wijkaanpak voor een langere periode dichtgetimmerd en was er weinig ruimte om bij te sturen als dat nodig was.’


3)Leefstijl is een aanvullend instrument

Lisette Vos - Methoden die bij beheer en verdeling van woonruimte inzetten op leefstijl leveren een bescheiden bijdrage aan een hogere woonwaardering van bewoners.  De bewoners hebben wel vertrouwen in die aanpak, maar schoon, heel en veilig staan voorop. Leefstijl is dus vooral een aanvullend instrument.


Dat blijkt uit het (deel)rapport´Soort bij soort, Leefstijlen in woonruimteverdeling en beheer´ dat Onderzoeksinstituut OTB TU Delft onder meer in opdracht van Platform Corpovenista heeft uitgevoerd. 


De onderzoekers, Wenda Doff en André Ouwehand, hebben bijna twintig projecten geïnventariseerd en twee cases uitgebreid onderzocht: het POL-model in Dordrecht van Woonbron (850 clusters van woningen, met name portiekwoningen) en EigenStijl Wonen in Palenstein Zoetermeer van Vestia (drie hoogbouwflats met 100 tot 180 woningen).  Deze methoden, waarin de indeling van bewoners naar leefstijl een belangrijke factor is, worden ingezet bij beheer en verdeling van woonruimte. De centrale vraag is: draagt deze aanpak bij aan een hogere woonwaardering van bewoners?


Meerwaarde

De bijdrage mag dan bescheiden zijn, de meerwaarde is er wel degelijk, aldus onderzoeker Wenda Doff van OTB TU Delft. ´Bewoners met verschillende leefstijlen hebben ieder hun eigen voorkeuren en oriëntaties en verschillen ook in gedrag, bijvoorbeeld in contact met buren. Er is niets mis mee om daar als corporatie in je beleid rekening mee te houden.  Maar als je bewoners met dezelfde leefstijl bij elkaar laat wonen, moet je daar niet al te hoge verwachtingen van hebben. Het gaat meer om een pakket van maatregelen die nodig zijn voor een hogere woonwaardering. Schoon, heel en veilig zijn daarbij belangrijke factoren. ´


Volgens Doff zouden corporaties die leefstijl inzetten bij beheer en verdeling van woonruimte niet uit moeten gaan van een statisch begrip van leefstijl. In Zoetermeer zijn bewoners in de drie flats naar vier leefstijlen ingedeeld.  Bij herhaalde meting bleek een flink aandeel van die  bewoners niet passend te wonen. In het POL-model past de corporatie op basis van nieuwe informatie de leefstijl van de bewoner en de dominante leefstijl van het portiek indien nodig wel aan. ‘Deze dynamische aanpak sluit beter aan op de praktijk. Leefstijl lijkt deels veranderlijk.’ In Dordrecht spelen overigens bij de verdeling van de portiekwoningen meer factoren een rol.


Gerust gevoel

De onderzoekers van de OTB TU Delft komen in hun eindrapport met een aantal aanbevelingen. Bedenk vooraf goed wat de doelstellingen zijn bij de toepassing van leefstijl.  Bij het verhogen van woonwaardering gaat het zeker niet alleen om de toepassing van leefstijl, maar om een pakket van maatregelen. Investeer in de klantenrelatie. Een indeling naar leefstijl kan bewoners ook een gerust gevoel geven omdat niet alleen zijzelf de maat worden genomen, maar ook de (toekomstige) buren. Doff: ´En voor corporaties is het ook en mooie manier om hun klanten beter te leren kennen.´


4)Medicijnwijzer voor inzet studenten in de wijk

Lisette Vos - Studenten kunnen zeker een bijdrage leveren aan de wijkaanpak, maar hun inzet is geen wondermiddel.


Tijdens het mini-symposium ‘Studenteninzet, het wondermiddel voor stadsbuurten?’, dat op 24 mei heeft plaatsgevonden, zijn de resultaten van het onderzoek “Studenten en Stadsbuurt’ gepresenteerd. Het advies van de onderzoekers  aan de aanwezigen in het Rotterdamse Schieblock: stel eerst een goede diagnose, en pas dan - met behulp van een speciaal ontwikkelde medicijnwijzer – het juiste recept toe.


Voor het onderzoek zijn, na een eerste inventarisatie van veertig projecten waar studenten bij betrokken zijn, elf representatieve projecten nader onderzocht. Ook zijn vier projecten in drie steden op locatie bezocht.


Goede begeleiding

Studenten doen veel verschillende projecten, zo blijkt uit het onderzoek: van huiswerkbegeleiding tot juridisch advies, en ze hebben verschillende motieven om mee te doen. Ze willen graag maatschappelijk zinvol werk doen, maar een extra stimulans, als korting op de huur van hun woning en/of studiepunten verdienen, speelt ook zeker een rol.  En kunnen ze het ook? Zeker, al zijn sollicitatiegesprekken vooraf en een goede begeleiding tijdens het traject van groot belang. 


Als dat goed geregeld is, kunnen bewoners en ook de buurt als geheel profiteren van de inbreng van de studenten. Onderzoeker Fokke de Jong van Atrivé:  ‘Zij hebben echt een meerwaarde. Zij zijn goedkoop, ze zijn vaak creatief en hebben een speelse aanpak.  Zij vinden vaak makkelijk aansluiting bij de jeugd. Ook bij bewoners die soms moeite hebben met professionele werkers, wil het studenten vaak nog wel lukken contact te krijgen.´


Vijf basisrecepten

Voor iedereen die ook aan de slag wil met studenten in de wijk, op basis van de uitkomsten van het onderzoek, is een medicijnwijzer ontwikkeld. In een speciale brochure, die vanaf volgende week via deze website te downloaden is, wordt deze aanpak beschreven. Afhankelijk van de doelstelling van het project zijn er vijf basisrecepten uitgewerkt. De aanpak varieert: studenten wonen in een wijk of ze zijn er alleen om te werken of een combinatie van die twee.


De praktijk: zes projecten

Aan de hand van de vijf basisrecepten werden tijdens het symposium  zes projecten uit de praktijk gepresenteerd. Zo heeft studentenhuisvester DUWO op een braakliggend terrein in Amsterdam, waar geen permanente bouw is toegestaan, een tijdelijk studentencomplex neergezet. In deze stad is de woningnood hoog. Er zijn geen speciale activiteiten voor studenten en zij krijgen geen korting op de huur. Toch levert hun aanwezigheid alleen al een levendige bijdrage aan de wijk.


In Rotterdam hebben studenten het voor het kiezen als het om wonen gaat.  Voor Woonstad Rotterdam was het daarom veel lastiger om hen te verleiden naar de Tarwewijk te komen, een wijk die geen goede naam heeft in de stad. Door het aanbod van mooie gerenoveerde woningen en de mogelijkheid om maatschappelijke activiteiten te verrichten in ruil voor korting op de huur, hebben studenten die stap toch gezet. De activiteiten variëren van voorlezen tot buurtbemiddeling. ‘We hebben veel positieve publiciteit gehad,’ vertelt Mirjam Oosterhout (Woonstad Rotterdam). Lachend: ‘Ook de shoarmatent is er blij mee.’


Controle

De inzet van studenten in de wijk varieert ook per project. Bij projecten van Academie van de Stad en VoorUit in onder meer Amsterdam zetten de deelnemers zich 10 uur per week in voor hun wijk (in ruil voor kwijtschelding van de kale huur), in Woensel-West in Eindhoven (Trudo) gaat het om niet meer dan 10 uur per maand (in ruil voor 100 euro korting op de huur). Of studenten zich ook echt die 10 uur per maand inzetten, blijft soms moeilijk te controleren. ‘Als iemand wel aanwezig is om taalles te geven, maar vooral buiten een sigaretje gaat roken, dan heb je daar niet altijd vat op.’


(c) Platform Corpovenista - Nienke Bruinsma, programmamanager Woensel West (Trudo) vertelt tijdens het symposium over het Eindhovense project en de inzet van studenten


Bij de projecten van de Veldacademie in Rotterdam zal dat niet snel gebeuren: studenten doen in opdracht van hun opleiding onderzoek in de wijk, onder meer naar de behoefte van bewoners in woonservicegebieden. Het resultaat van het onderzoek gaat als advies naar de deelraden van Rotterdam.


In de drie workshops die tijdens het symposium werden georganiseerd,  was er op verschillende onderdelen discussie over de meest effectieve aanpak.  Een goede selectie aan de voorkant en begeleiding tijdens het traject zijn van groot belang.  Die conclusie uit het onderzoek konden de deelnemers wel onderschrijven.  En al kunnen de studenten nooit de professionals vervangen, resultaten zijn er:  dat studenten en bewoners elkaar leren kennen en waarderen. Ook geeft de aanwezigheid van studenten  de leefbaarheid in de wijk vaak een positieve impuls.  Veel studenten willen in hun buurt blijven wonen of keren er vaak terug, een mooier bewijs is er niet.